Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998

Alinea 21 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:11.

8) Het hof heeft geoordeeld dat de rechtbank de gevorderde post ter zake van derving van arbeidsinkomsten ten onrechte in beginsel toewijsbaar heeft geacht (r.o. 3.12). Dat oordeel berust op drie gronden: 1) het hof heeft niet aannemelijk geacht dat een redelijke kans bestond dat [eiseres] , zo het ongeval niet had plaatsgevonden, de MDGO-opleiding met goed gevolg zou hebben afgemaakt; 2) het hof heeft niet aannemelijk geacht dat een redelijke kans bestond dat [eiseres] , zo het ongeval niet had plaatsgevonden en zo zij de opleiding met goed gevolg zou hebben afgemaakt, een (parttime) baan als zieken/bejaardenverzorgster zou hebben weten te bemachtigen; en 3) naar het oordeel van het hof speelde niet de vraag of [eiseres] nog anderszins loonvormende arbeid had kunnen verrichten, omdat zij uitdrukkelijk had gesteld dat zij dit nimmer van plan was (r.o. 3.11-12). Tegen dit oordeel is middel I gericht. De onderdelen 1-5 bestrijden de derde grond, de onderdelen 6-9 de eerste en onderdeel 10 de tweede. Onderdeel 11 verdedigt ten slotte dat het hof had moeten overgaan tot proportionele schadeberekening.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24, en de alinea staat in dat document op bytes 11648 tot 12787.