Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:11.

12) Onderdeel 6 betoogt dat de woorden 'een redelijke kans' in de hiervoor geciteerde overweging onvoldoende duidelijk maken welke maatstaf het hof hanteert bij de beantwoording van de vraag of een kans rechtens relevant is. Dit onderdeel faalt. Het stelt motiveringseisen die men bij een sterk met feitelijke waarderingen verweven oordeel als het onderhavige niet kan stellen. Ik verwijs naar de hiervoor onder 7 aangehaalde rechtspraak. Onderdeel 7 klaagt over tegenstrijdigheid tussen 's hofs vaststelling in r.o. 3.11 dat niet aannemelijk is dat een redelijke kans bestond dat [eiseres] – zo het ongeval niet had plaatsgevonden – de MDGO-opleiding met goed gevolg zou hebben afgerond, en zijn eerdere vaststelling in r.o. 3.8 dat het te zeer in het duister tastte om daarover in redelijkheid enige uitspraak te doen. Ik meen dat deze klacht faalt. [eiseres] diende als eisende partij te stellen en zo nodig te bewijzen dat haar als gevolg van het ongeval de mogelijkheid was ontnomen de MDGO-opleiding met goed gevolg te voltooien. Het hof heeft in de r.o 3.3-3.7 het argument van [eiseres] verworpen dat uit haar toelating tot de Twentse MDGO-opleiding zou zijn af te leiden dat zij deze opleiding waarschijnlijk (met een kans van 70%) voltooid zou hebben (zie memorie van antwoord, nr. 33 in verband met p. 4 van het rapport Heling). Op grond daarvan heeft het hof in r.o. 3.8 overwogen dat het over de kans van [eiseres] om de bedoelde opleiding af te ronden in redelijkheid geen uitspraak kon doen. Kennelijk heeft het daaraan, nu de bewijslast ter zake op [eiseres] rustte, vervolgens in r.o. 3.11 de slotsom verbonden dat [eiseres] niet aannemelijk had gemaakt dat er een redelijke kans bestond dat zij, zo het ongeval niet had plaatsgevonden, de opleiding met goed gevolg zou hebben afgemaakt. Uitgaande van de zojuist aan r.o. 3.11 gegeven lezing, klagen de onderdelen 8 en 9 dat het oordeel van het hof in die overweging onjuist dan wel onbegrijpelijk is in het licht van een aantal feiten en omstandigheden waarop [eiseres] zich in feitelijke instantie heeft beroepen. Anders dan onderdeel 8 betoogt, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof op grond van de afwijzingsbrief van de Dr. P.C. Borststichting heeft geoordeeld dat onzeker is of [eiseres] een MDGO-opleiding met goed gevolg zou hebben kunnen afronden. Daaraan kan niet afdoen dat [eiseres] volgens deze brief behoorde tot de groep kandidaten waarover 'volstrekte consensus' bestond dat zij 'benoembaar' waren: het stond het hof vrij meer gewicht toe te kennen aan de constatering in die brief dat het zicht van [eiseres] 'op de verpleeghuiszorg, op het beroep van ziekenverzorgende en op de opleiding onvoldoende duidelijk is'. Eveneens mocht het hof, op de in r.o. 3.7. genoemde gronden, in dit verband meer belang hechten aan de genoemde afwijzing dan aan de toelating van [eiseres] tot de Twentse opleiding. De klachten van onderdeel 9 onder a en b, die verwijzen naar de toelating van [eiseres] tot deze opleiding en op haar statistische kans van 70% om deze te voltooien, stuiten daarop af, evenals de klacht onder d dat geen feiten en omstandigheden gebleken zouden zijn waaruit kan worden afgeleid dat de geschiktheid van [eiseres] voor het volgen van de opleiding op een of meer punten lager dan gemiddeld is. Tot slot behoefde het feit dat [eiseres] tijdens haar huwelijk als vrijwilligster in de verzorgende sector had gewerkt, waarnaar het onderdeel c verwijst, het hof niet tot een ander oordeel te brengen. Evenmin was het hof gehouden daarop afzonderlijk in te gaan. De overige klachten van onderdeel 9 falen omdat zij berusten op het uitgangspunt dat [eiseres] een statistische kans van (ten minste) 70% had om de MDGO-opleiding te voltooien. Uit het voorgaande volgt dat het hof dit uitgangspunt (op niet onbegrijpelijke gronden) niet tot het zijne heeft gemaakt. Anders dan het onderdeel kennelijk wil betogen, was het hof niet gehouden te onderzoeken of de omstandigheden die twijfel wekten aan de geschiktheid van [eiseres] om de opleiding met goed gevolg af te ronden, wellicht ook opgingen voor de personen van wie het studieresultaat aan het kans percentage van 70 ten grondslag lag. Ter afsluiting van de behandeling van dit onderdeel merk ik op dat aan het voorafgaande niet afdoet dat de rechter, bij de afweging van de goede en kwade kansen die voor het vaststellen van de schade door arbeidsvermogenverlies vereist is (vergelijk art. 6:105 BW), in het oog moet houden dat de aansprakelijke persoon de benadeelde de mogelijkheid heeft ontnomen omtrent de hypothetische toekomst zekerheid te verkrijgen, zodat de benadeelde in zekere mate het voordeel van de twijfel moet worden gegund (vergelijk Handboek Personenschade, 3030-10 (H.A. Bouman)). Daaruit volgt immers niet dat de rechter, zo hij van oordeel is dat voldoende aanwijzingen omtrent de geschiktheid van de benadeelde voor een bepaalde opleiding of een bepaald beroep ontbreken, er vanuit moet gaan dat de benadeelde dus voor die opleiding of dat beroep geschikt was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24, en de alinea staat in dat document op bytes 23808 tot 28941.