Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998
Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 februari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:11.
14) Onderdeel 11 betoogt ten slotte dat voor zover het hof in r.o. 3.11 met een 'redelijke kans' zou hebben bedoeld een kans die voldoende groot is om er bij de schadebepaling vanuit te gaan dat die kans zich zou hebben verwezenlijkt, het zou hebben miskent dat ook een kleinere kans rechtens relevant is, omdat deze kan leiden tot proportionele schadetoerekening. Ik meen dat deze klacht moet falen. Voor proportionele schadeberekening op grond van verlies van een kans – waarvoor het onderdeel pleit – is vereist dat vaststaat dat voor de benadeelde een kans met een zeker minimumpercentage aan waarschijnlijkheid verloren is gegaan. Uit de r.o. 3.8 en 3.11 valt echter af te leiden dat het hof, wat de kans van [eiseres] om de MDGO-opleiding te voltooien betreft, het vaststaan van een dergelijk kanspercentage niet heeft aangenomen. Uit r.o. 3.9 volgt hetzelfde voor de kans dat [eiseres] een baan in de verzorgende sector zou hebben gevonden. Het rapport Heling stelde deze kans op 50%, maar daaraan lag mede ten grondslag dat [eiseres] herintreedster zou zijn. daarvan afgezien, was het percentage volgens het rapport minder dan 30%, terwijl het hof ook dit percentage kennelijk nog te hoog heeft geoordeeld. Bij de behandeling van onderdeel 6 merkte ik reeds op dat het hof daarbij zijn oordeel niet in een bepaald percentage behoefde uit te drukken. De combinatie van de bedoelde percentages – waarop het uiteindelijk aankomt en die in een nog kleiner percentage resulteert – stelde het hof derhalve niet voor de vraag of het tot proportionele schadeberekening moest overgaan. Ik wijs er nog op dat [eiseres] een dergelijke wijze van schadeberekening in feitelijke instanties niet aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, zodat het hof niet behoefde te motiveren waarom het daartoe niet – ambtshalve – overging. Bij deze stand van zake kan in het midden blijven of proportionele schadeberekening bij het verlies van een kans naar Nederlands recht kan worden aanvaard. Ik merk op dat de Hoge Raad deze vraag in zijn arrest van 24 oktober 1997, Rvdw 1997, 207 niet in algemene zin heeft behoeven te beantwoorden. Het arrest lijkt, mede in het licht van de conclusie van A-G Bakels (CRvdW 1997, 207) onder 3.3 e.v., de mogelijkheid van deze vorm van schadeberekening wel open te laten. Een duidelijk bevestigend antwoord heeft de vraag gevonden in Hof Amsterdam 4 januari 1996 en Rb. Amsterdam 15 december 1993, NJ 1997, 213; Tijdschrift voor Gezondheidsrecht 1997, nr. 7, p. 58 m.nt. M.J.J. de Ridder. Zie over deze wijze van schadeberekening – en de daarmee verwante proportionele toerekening bij massaschade – Asser-Hartkamp 4-I, 1996, nr, 434b en Schadevergoeding, aant. 13.1 (slot) op art. 6:98 (R.J.B. Boonekamp), beide met verdere verwijzingen, en voorts in het bijzonder A.J. Akkermans, Proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband (diss. Tilburg 1997), i.h.b. hfs. 3.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24, en de alinea staat in dat document op bytes 39003 tot 41958.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/dea1d80e775dc5e367fca86391376b2ddb2e021786facf057d5fea050df2bc24 | shasum -a 256