Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998
Alinea 16 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998, ECLI:NL:PHR:1998:41.
5. Het Hof te Amsterdam bekrachtigt het vonnis van de Rechtbank. Het overweegt daartoe het volgende omtrent de hiervoor onder 3 weergegeven stellingen van [eiser] . Het Hof concludeert dat in rechte ervan moet worden uitgegaan dat [verweerster] per 14 april 1987 ten aanzien van door haar geleverde meubels een rechtsgeldig eigendomsvoorbehoud heeft gemaakt voor al haar vorderingen op [B] en dat dit zekerheid per 1 januari 1992 – zoals ook de Rechtbank overwoog – is geconverteerd in een stil pandrecht. De stelling dat [verweerster] nooit eigenaar is geworden van de meubelvoorraad wordt verworpen met de overweging dat moet worden aangenomen dat [verweerster] de meubels verkocht en leverde mede gezien de strekking van de samenwerkingsovereenkomst en de wijze waarop aan deze overeenkomst uitvoering werd gegeven. De stelling dat het door [verweerster] bij overeenkomsten van april en oktober 1987 bedongen (verlengde) eigendomsvoorbehoud is komen te vervallen op grond van het bepaalde van art. 2 van de overeenkomst inzake betaling, vergoeding en zekerheden d.d. 30 juni 1989 wordt verworpen met de overweging dat bedoeld artikel uitdrukkelijk bepaalt dat bedoeld eigendomsvoorbehoud onverkort van kracht blijft. Met een beroep op het rechtskarakter van het verlengde eigendomsvoorbehoud wordt verworpen de stelling dat het zekerheidsrecht op voordien geleverde goederen is komen te vervallen op het moment waarop de schuld in rekening-courant van [B] op enig moment nihil heeft bedragen terwijl de samenwerking voortduurde. Vervolgens wordt verworpen de stelling van [eiser] dat hem door [B] een ouder zekerheidsrecht op de door [verweerster] onder eigendomsvoorbehoud geleverd meubels is verschaft. In dat verband wordt beslissend geacht of ten behoeve van [eiser] een zekerheidsrecht is gevestigd voordat [verweerster] – in 1987 – haar eigendomsvoorbehoud bedong. Geoordeeld wordt vervolgens dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord: aan de “acte van cessie van goederenvoorraad” d.d. 24 maart 1984 waarin [A] te Gouda verklaart haar goederenvoorraad in zekerheid te “cederen” kan [eiser] naar ’s Hofs oordeel gen rechten ontlenen omdat hij die akte niet heeft getekend als crediteur en de “cessie” door hem ook niet is aangenomen, nog daargelaten in hoeverre goederen van die vennootschap in 1992 al deel uitmaakten van de meubelvoorraad van [B] . De akte van geldlening van 12 juni 1986 volgens welke [eiser] aan [A] Gouda geld te lenen heeft verstrekt kan [eiser] al evenmin baten, gezien de daarin gebruikte bewoordingen, aldus het Hof. Voor het overige verwijst het Hof naar de rechtsoverwegingen van de Rechtbank, die zoals gezegd als onvoldoende gemotiveerd verwierp de stelling van [eiser] dat zich onder de door [verweerster] geveilde en door de curator verkochte zaken ook niet door [verweerster] geleverde zaken bevonden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/876dc5c488a2e0bb1817a80caaf6f36d59c6739755ffe66fa724cad3a6015b9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 876dc5c488a2e0bb1817a80caaf6f36d59c6739755ffe66fa724cad3a6015b9f, en de alinea staat in dat document op bytes 11677 tot 14586.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/876dc5c488a2e0bb1817a80caaf6f36d59c6739755ffe66fa724cad3a6015b9f | shasum -a 256