Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 oktober 1998, ECLI:NL:PHR:1998:41.

17. Nu de middelonderdelen II-IV falen, moet ervan worden uitgegaan dat [verweerster] voor zichtzelf in 1987 rechtsgeldig een zogenaamd “verlengd eigendomsvoorbehoud” heeft bedongen, dat de litigieuze meubels door [verweerster] onder dat “voorbehoud” zijn geleverd en dat aan [verweerster] ’s zekerheidsrechten geen afbreuk is gedaan door een nadere overeenkomst of door betalingen van de koopprijs. De middelonderdelen V – VI, die ’s Hofs oordeel bestrijden dat [eiser] niet erin is geslaagd het bestaan aan te tonen van enig zekerheidsrecht dat eerder te zijnen behoeve is gevestigd dan dat van [verweerster] , behoeven daarom mijns inziens geen behandeling, gelet op de art. 592 BW (oud) en de artt. 3:98 juncto 3:84 en art. 3:238. Ik licht dit als volgt toe. Het naar oud recht door [verweerster] bedongen eigendomsvoorbehoud is – voor zover het eigendomsvoorbehoud strekt tot zekerheid van voldoening van andere vorderingen dan genoemd in art.. 3:92 lid 2 eerste zin – per 1 januari 1992 op grond van art. 89 Overgangswet van rechtswege omgezet in een “stil pandrecht” (een pandrecht overeenkomstig art. 3:237 BW), althans voor zover het gaat om zaken die reeds voor 1 januari 1992 zijn geleverd en waarvan de eigendom derhalve reeds was voorbehouden; nadien geleverde meubels zijn onder voorbehoud van bezitloos pandrecht door [verweerster] geleverd omdat per genoemde datum de op grond van het eigendomsvoorbehoud bestaande verbintenis tot levering onder eigendomsvoorbehoud is omgezet in een verbintenis tot levering onder voorbehoud van pandrecht. (Ik weid over deze problematiek niet verder uit nu in cassatie niet is bestreden dat van rechtswege omzetting in een stil pandrecht heeft plaatsgevonden indien – kort gezegd – de eigendom rechtsgeldig was voorbehouden.) Nu moet worden uitgegaan van de hiervoor weergegeven premissen, is irrelevant of aan [eiser] bij voorbaat fiduciair de gehele meubelvoorraad is overgedragen voordat [verweerster] in 1987 zich de eigendom voorbehield. Met betrekking tot de vóór 1 januari 1992 geleverde meubels geldt dan immers dat art. 592 (oud) BW eraan in de weg staat dat [eiser] fiduciair eigenaar van die zaken is geworden (zodat voor [eiser] van een omzetting in een bezitloos pandrecht geen sprake kan zijn), terwijl voor de nadien onder voorbehoud van pandrecht geleverde zaken geldt dat de artt. 3:97-98 juncto 3:84 en art. 3:238 eraan in de weg staan dat [eiser] een bezitloos pandrecht verkrijgt met een hogere rang dan het bezitloze pandrecht van [verweerster] . Zie Mon. Nieuw BW B-6c (Reehuis), 1998, nr. 60; Asser-Mijnssen-Van Velten, 1994, nrs. 91 en 433 e.v.; Brahn, Stille verpanding en eigendomsvoorbehoud volgens het nieuwe Burgerlijk Wetboek, 1991, p. 80 e.v. en 143 e.v.; Brahn, Fiduciaire overdracht, stille verpanding en eigendomsvoorbehoud naar huidig en komend recht, 1988, p. 207 e.v.; Reehuis, Stille verpanding (diss. Groningen 1987), nr. 205 e.v.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/876dc5c488a2e0bb1817a80caaf6f36d59c6739755ffe66fa724cad3a6015b9f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 876dc5c488a2e0bb1817a80caaf6f36d59c6739755ffe66fa724cad3a6015b9f, en de alinea staat in dat document op bytes 25951 tot 28940.