Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1998

Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 januari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:51.

13. Dit klemt te meer nu het Hof tot uitgangspunt heeft genomen dat het ten gehore brengen van een lied tijdens een uitvaartplechtigheid is te beschouwen als een openbaarmaking in de zin van art. 12 van de Auteurswet 1912 en dat [eiser] zich dan ook terecht op het standpunt stelt dat BUMA en STEMRA in beginsel verplicht zijn om de auteursrechten van het lied "Waarheen, waarvoor" ook bij uitvaartplechtigheden namens hem te exploiteren en te handhaven. Uitgaande van dit oordeel is zonder nadere motivering niet goed begrijpelijk waarom [eiser] art. 3 niet zó heeft mogen opvatten dat BUMA en STEMRA gehouden zijn, wanneer zij besluiten gebruik te maken van het voorbehoud ten aanzien van de nakoming van de op hen rustende exploitatieplicht, [eiser] daarvan tijdig mededeling doen, zodat deze tijdig zijn maatregelen kan treffen om, desgewenst, zelf zijn auteursrecht te exploiteren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1e4e753331cb25d2a3664c9099f454e6eb2c874090e8583208b6ede04458986e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1e4e753331cb25d2a3664c9099f454e6eb2c874090e8583208b6ede04458986e, en de alinea staat in dat document op bytes 13901 tot 14801.