Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 september 1998
Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 25 september 1998
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 september 1998, ECLI:NL:PHR:1998:7.
In genoemd arrest van 1984 wordt overigens nog overwogen dat de huurder concreet moet aangeven waarin zijn belang is gelegen. Dat strookt ook met de regel uit HR 24 december 1993, NJ 1994, 317: 'Dat de wanprestatie zo weinig ernstig van aard of betekenis is dat de rechter daarin aanleiding kan vinden de vordering tot ontbondenverklaring af te wijzen, is een uitzondering op de regel dat wanprestatie ontbondenverklaring wettigt, op welke uitzondering de in gebreke zijnde schuldenaar zich voldoende gemotiveerd moet beroepen (vgl. HR 25 juni 1971, NJ 1971, 398)'. M.i. mist de klacht feitelijke grondslag. In het oordeel dat de tekortkomingen de ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigen, ligt besloten dat de rechtbank de tekortkoming voldoende ernstig heeft bevonden. Het vonnis biedt geen aanleiding te veronderstellen dat de rechtbank het hierboven opgemerkte, met name de noodzaak rekening te houden met het belang van de huurder bij voortzetting van de huur, heeft miskend. Dat blijkt m.i. ook uit de volgende overweging (7.12) waarin de rechtbank overweegt dat de huurovereenkomst per 24 januari 1996 wordt ontbonden omdat gesteld noch gebleken is dat [eisers] sinds de brand op die datum nog feitelijk genot van het gehuurde hebben gehad. Weliswaar hebben [eisers] in het kader van het verzoek om indeplaatsstelling aangevoerd dat hun belang erin is gelegen de gedane investeringen van tenminste f 175.000,- terug te verdienen, maar bij conclusie van antwoord (sub 12) heeft [verweerder] dit bedrag betwist, stellende dat het, gelet op de financiële situatie (flinke huurachterstand) en gelet op het feit dat [eiser 1] de horeca-inrichting geheel ingericht ontving, onmogelijk is dat [eiser 1] tot een dergelijk bedrag investeringen heeft verricht. Nu het pand door brand is verwoest, is dat belang in ieder geval niet meer aanwezig en voor het overige hebben [eisers] niet concreet aangevoerd waarin hun belang gelegen zou zijn. Voor het overige is de waardering van de omvang en het gewicht der wanprestatie in het kader van de vraag of de ontbinding gerechtvaardigd is, een beslissing van feitelijke aard (vgl. Contractenrecht VI (Grootveld), nr. 1098) die in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. De rechtbank heeft de achterstand in de betaling van de huurpenningen, het plaatsen van de vuilniscontainer op de inrit en de geluidsoverlast in onderlinge samenhang bezien als tekortkomingen aangemerkt, die de ontbinding kunnen rechtvaardigen. Dat is m.i. niet onbegrijpelijk. Vgl. HR 29 oktober 1971, NJ 1972, 40 m.nt. GJS. Zie over wanbetaling nog de jurisprudentie genoemd in Dozy/Jacobs, p. 170 en Contractenrecht VI, nr. 1109. Ik meen dan ook dat de onderdelen 2.2 en 2.3 tevergeefs zijn voorgesteld. Onderdeel 2.4 mist m.i. feitelijke grondslag, gelet op het sub 6 opgemerkte.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ddc037858b1f2580c7b3cd09fad3ce536d619cac47eff941fc888896ff8d13c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ddc037858b1f2580c7b3cd09fad3ce536d619cac47eff941fc888896ff8d13c1, en de alinea staat in dat document op bytes 21865 tot 24799.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ddc037858b1f2580c7b3cd09fad3ce536d619cac47eff941fc888896ff8d13c1 | shasum -a 256