Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 januari 1998

Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 28 januari 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 januari 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AA2391.

"(...) 5.2. (...) dat belanghebbende in casu niet aan haar verplichting ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Wet om aan de inhoudingsplichtige inzage te verstrekken van een identificatiebewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht heeft voldaan. (...) 5.3. De hier bedoelde, aan belanghebbende opgelegde, verplichtingen vormen naar het oordeel van het Hof, gezien de bijzondere omstandigheden van het onderhavige geval, een inbreuk op artikel 8, eerste lid, van het EVRM. Anders dan de inspecteur stelt, bestaat daarvoor in dit geval geen rechtvaardigingsgrond. In het onderhavige geval, waarin (...) uit anderen hoofde omtrent de identiteit van een werknemer geen twijfel bestaat, kan niet worden gesproken van een "pressing social need", die een inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven rechtvaardigt. Toepassing van het "anoniementarief" acht het Hof derhalve in strijd met artikel 8 van het EVRM. (...)"

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cfbcb2ec3fb13da0cccf8027c94c895a23bbf9f2d343ef5d729b67b15c18fe4e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cfbcb2ec3fb13da0cccf8027c94c895a23bbf9f2d343ef5d729b67b15c18fe4e, en de alinea staat in dat document op bytes 10543 tot 11508.