Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 november 1998

Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 25 november 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 november 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AA2572.

2.2.4Omdat verplichtingen met een kettingbeding veelal een ruimere werking hebben dan kwalitatieve verplichtingen als bedoeld in art. 6:252 BW (anders zou men ze wel in deze vorm gieten), vormt de visie van de HR op dergelijke verplichtingen een doorbreking van ons gesloten systeem van goederenrechtelijke rechten (rechten met “zaaksgevolg”). De bezwaren daartegen zijn niet uitsluitend van dogmatische aard. Het beginsel, dat verplichtingen ter zake van een goed niet overgaan op de rechtsopvolger onder bijzondere titel, zoals de HR besliste bij arrest van 3 maart 1905, W 8191 (Blaauwboer-Berlips), is in het nieuwe BW op beperkte schaal doorbroken door de regeling van de kwalitatieve verplichting in art. 6:252 BW om aan de praktijk tegemoet te komen die zich tot dan moest behelpen met kettingbedingen . Daarbij werd onderkend, dat behoefte zal blijven bestaan aan kettingbedingen, zij het dat deze nu eenmaal een zwakkere werking hebben. Zij werken niet tegen een executerende hypotheekhouder en faillissements-curator, opneming in de openbare registers is niet verplicht en bij het verbreken van de ketting zal, zelfs als de koper ten tijde van de koop te kwader trouw is, een actie uit onrechtmatige daad wel tot de uitzonderingen behoren .

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/669cd4cbb65b9bdb3d0589166b6ff4f9267a2df82a77de0a64adbcebb520e81e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 669cd4cbb65b9bdb3d0589166b6ff4f9267a2df82a77de0a64adbcebb520e81e, en de alinea staat in dat document op bytes 27199 tot 28468.