Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 maart 1998

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 3 maart 1998

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 maart 1998, ECLI:NL:PHR:1998:ZD0952.

28. De klacht dat het hof in zijn nadere bewijsoverwegingen niet het deskundigenbericht van Van der Genugten en Borm had mogen betrekken, miskent dat de feiten waarop een nadere bewijsoverweging is gebaseerd, niet altijd uit de wettige bewijsmiddelen hoeven te blijken. Dit is bijvoorboeld het geval wanneer een overweging de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal betreft (vgl. Bewijzen in het strafprocesrecht, 2e dr. p. 40), dan wel wanneer een overweging onmiskenbaar is gegeven om een beslissing uit te leggen (vgl. Reijntjes, Strafrechtelijk bewijs in wet en praktijk, p. 156). In casu betreft het een overweging die met beide bedoelingen is gegeven: om aan te geven waarom het hof meer waarde hecht aan de tot het bewijs gebezigde, maar door de verdediging gewraakte, conclusies van Wagenaar (vgl. HR DD 94.126) en om aan te geven waarom het rapport van Van der Genugten niet in de weg staat aan 's hof s vaststelling dat de vier aan de orde zijnde varianten van het pokerspel kansspelen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/34cd250ac2d2f10f22ce05145b19df4edbebb0083cc92d1a429e1986923da77c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 34cd250ac2d2f10f22ce05145b19df4edbebb0083cc92d1a429e1986923da77c, en de alinea staat in dat document op bytes 22587 tot 23598.