Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Alinea 31 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.
4.8 De rapportage waarop [eiser] zich beroepen heeft, rechtvaardigt vooralsnog niet de conclusie dat [verweerder] tot spreken in staat was in de betekenis dat hij ook in staat was zijn vader verantwoordelijk te houden voor door hem geleden schade. Denkbaar is immers dat [verweerder] als gevolg van in zijn jeugd opgelopen traumata tot medio 1993 in een zodanige situatie heeft verkeerd dat hij weliswaar daarover kon verhalen (zoals in 1988 aan de verzekeringsgeneeskundige van de GMD) maar geenszins in staat was zijn vader aan te spreken op schadeveroorzakend gedrag. Het enkele feit van het GMD-rapport van 18 maart 1988 waarin het nodige uit het verleden van [verweerder] is opgetekend, brengt dus niet zonder meer mee dat bekendheid met de schade als bedoeld in artikel 3:310 lid 1 BW moet worden verondersteld. Hetzelfde geldt voor de verslaglegging van de RIAGG Westfriesland van 2 januari 1991, het ongedateerde rapport van de medisch psycholoog Lancée en voor een eerder voornemen van [verweerder] om te gaan procederen tegen zijn vader dat er geweest zou zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 16069 tot 17198.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939 | shasum -a 256