Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.
6. De vader klaagt in zijn principaal cassatiemiddel dat het Hof heeft miskend dat de verjaring van de vordering van de zoon reeds op [geboortedatum] 1979 (toen deze meerderjarig werd) is aangevangen en in ieder geval op 1 januari 1993 is voltooid, althans dat voor de beantwoording van de vraag wanneer de verjaring is aangevangen en wanneer de verjaring is voltooid niet van belang is op welk tijdstip de zoon in staat was over zijn verleden te spreken en zijn vader aansprakelijk te houden noch of van de zoon redelijkerwijs kon worden verlangd dat hij een rechtsvordering tegen zijn vader zou instellen. Hierbij is, aldus het middel, mede van belang dat in deze zaak niet is gesteld of gebleken dat art. 3:321 BW toepasselijk is.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 18352 tot 19137.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939 | shasum -a 256