Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.

De zoon klaagt in zijn incidenteel cassatiemiddel onder I dat van een onjuiste rechtsopvatting getuigt 's Hofs oordeel dat de vordering op grond van de twintigjaars-termijn is verjaard voorzover betrekking hebbend op gebeurtenissen vóór 20 mei 1974. In dat verband wordt betoogd dat het Hof heeft miskend dat in gevallen van kindermishandeling als waarom het hier gaat sprake is van een langdurig proces en niet van afzonderlijke gebeurtenissen van vóór en van ná 20 mei 1974, doch van een als één geheel aan te merken onrechtmatige daad; daaraan wordt de conclusie verbonden dat de verjaring in zoverre pas kon aanvangen nadat de mishandeling was opgehouden. Verwezen wordt in dit verband naar de regeling van het derde lid van art. 3:310 BW. Voorts wordt geklaagd dat het Hof eraan heeft voorbijgezien dat de verjaring pas medio 1993 is begonnen. In middelonderdeel II klaagt de zoon dat onjuist is 's Hofs oordeel dat voor de aanvang van de verjaringstermijn bepalend is het moment waarop van de zoon redelijkerwijs kon worden gevergd dat hij een rechtsvordering tegen de vader zou instellen. Betoogd wordt dat een slachtoffer van kindermishandeling pas ‘’bekend is met de schade’’ op het moment waarop hij een zodanige fase in het verwerkingsproces heeft bereikt dat hij kan begrijpen dat de psychische en lichamelijke toestand waarin hij verkeert een gevolg is van de mishandeling die hij in zijn jeugd heeft moeten ondergaan. Nu gesteld noch gebleken is dat eerder dan medio 1993 bedoelde fase in het verwerkingsproces is bereikt en daarmee de vereiste bekendheid is verkregen, heeft het Hof ten onrechte de zoon belast met het bewijs dat pas medio 1993 redelijkerwijs van hem kon worden gevergd dat hij een rechtsvordering tegen zijn vader zou instellen. Aldus dit middelonderdeel, dat in dat verband klaagt over tegenstrijdigheid van 's Hofs overwegingen nu in rechtsoverweging 4.8 wordt vastgesteld dat de in het geding gebrachte rapportages onvoldoende aanknoping bieden voor de conclusie dat de zoon eerder dan medio 1993 bekend was met de schade. Middelonderdeel III klaagt dat blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting 's Hofs overweging dat de zoon aan zijn tot [geboortedatum] 1979 voortdurende minderjarigheid verder geen argument kan ontlenen ter ondersteuning van zijn ontvankelijkheid in dit geding. Betoogd wordt dat het Hof heeft miskend dat een eventuele verjaring gedurende de minderjarigheid van de zoon op grond van het in deze zaak toepasselijke art. 2024 (oud) BW gedurende de minderjarigheid geschorst is gebleven, terwijl art. 121 Overgangswet hier toepassing mist omdat de zoon reeds op [geboortedatum] 1979 meerderjarig is geworden zodat hier geen kwestie van overgangsrecht speelt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 19141 tot 21924.