Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.

De cassatiemiddelen gaan, evenals Rechtbank en Hof, terecht ervan uit dat de kwestie van de verjaring van de vordering van de zoon — ingevolge art. 73 Overgangswet — wordt beheerst door art. 3:310 BW. De vordering is immers ingesteld na 1 januari 1993, toen nog geen sprake was van verjaring naar oud recht, dat een verjaringstermijn kende van dertig jaar welke ingevolge art. 2024 BW pas aanving op [geboortedatum] 1979, de dag waarop de zoon meerderjarig werd. Wel is in cassatie aan de orde of naar oud recht moet worden beoordeeld of de verjaring gedurende de minderjarigheid van de zoon is geschorst dan wel verlengd. Daarop kom ik hierna terug.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 22076 tot 22744.