Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Alinea 42 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.
Omdat de rechtszekerheid een vaste termijn eist kan in het algemeen niet worden afgeweken van het in art. 3:310 lid 1 vermelde aanvangstijdstip van de vijfjaars-termijn (het bekend zijn met de schade en de aansprakelijke persoon). Voor zover zulks echter ertoe leidt dat een vordering verjaart welke de schuldeiser niet geldend heeft kunnen maken — een geval dat art. 3:310 lid 1 juist beoogt te voorkomen — moet, zo blijkt uit Uw meergenoemde arrest, wanneer dat niet geldend kunnen maken voortvloeit uit omstandigheden die aan de debiteur moeten worden toegerekend, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid worden aangenomen dat de verjaringstermijn pas een aanvang neemt wanneer die omstandigheden het kunnen geldend maken van de vordering niet langer verhinderen. In dit verband wijs ik erop dat Uw Raad ook eerder oordeelde dat een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn; zie met name Uw arrest van 4 november 1994, NJ 1996, 485, m.nt. WMK.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 25900 tot 26961.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939 | shasum -a 256