Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 april 1999, ECLI:NL:PHR:1999:4.

De in het middel verdedigde stelling dat de aan de vader verweten mishandeling moet worden aangemerkt als één onrechtmatige daad zodat, mede gelet op het derde lid van art. 3:310, de verjaringstermijn pas kon aanvangen nadat de mishandeling — in 1976 — was gestaakt, kan naar mijn oordeel niet als juist worden aanvaard. De in het tweede en derde lid van art. 3:310 vervatte regeling waarnaar het middel verwijst is ingevoegd bij Wet van 24 december 1992, Stb. 691. De regeling komt erop neer dat met het oog op de aanvang van de verjaringstermijn een onderscheid moet worden gemaakt tussen een plotseling optredend feit en een voortdurend feit (of een opeenvolging van feiten met dezelfde oorzaak) en dat de verjaringstermijn bij een voortdurend feit pas begint te lopen nadat dit feit is opgehouden te bestaan. Uit de wettekst en de wetsgeschiedenis blijkt evenwel duidelijk dat deze uitzonderingsregeling alleen geldt voor vorderingen tot vergoeding van schade door milieuverontreiniging en van schade door ‘’gevaarlijke stoffen’’. Ik verwijs in dit verband met name naar de M.v.A., p. 4 (Tweede Kamer, vergaderjaar 1992–1993, 22 599, nr. 5), waar wordt opgemerkt dat de uitzonderingsregel van het tweede en derde lid van art. 3:310 een groot deel van de gevallen van sluipende of sluimerende schade omvat en dat voor uitbreiding daarbuiten geen goede grond bestaat.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt eedc9d8545a6dc068f654a02bfcf7fab70f66a76539e94401eec4c465fd69939, en de alinea staat in dat document op bytes 30542 tot 31941.