Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 23 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.

4. De Rechtbank heeft twee tussenvonnissen gewezen. Zij overwoog dat de vordering van [eiser] uit onverschuldigde betaling "opvorderbaar" was op het moment van betaling, zodat de verjaring op dat moment begon te lopen. Zij stelde vast dat de hiervoor onder 2 genoemde protestbrieven "declaraties" zijn in de zin van de Wet van 31 oktober 1924, zodat de verjaring door deze brieven is gestuit, doch dat dit voor het laatst het geval is geweest op 4 maart 1983 zodat de verjaring in zoverre weer is gaan lopen en is voltooid op 31 december 1988. De Rechtbank verwierp het betoog van [eiser] dat de Staat naar eisen van redelijkheid en billijkheid geen beroep op verjaring toekomt omdat hij (de Staat) bij [eiser] de verwachting heeft gewekt - met name doordat hij de hiervoor genoemde tegen [naam] Hillegom B.V. aangespannen procedure als proefprocedure aanmerkte - dat hij zich niet op verjaring zou beroepen. De Rechtbank overwoog dat op zichzelf het aanspannen van die procedure nog niet meebrengt dat de Staat daardoor bij [eiser], die geen partij was bij die procedure, de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij zich ten aanzien van toekomstige vorderingen uit onverschuldigde betaling niet op verjaring zou beroepen, noch dat een dergelijk beroep aan de Staat naar eisen van redelijkheid en billijkheid niet langer toekomt. Dit zou anders kunnen zijn, aldus de Rechtbank, indien de Staat tegenover [eiser] die procedure uitdrukkelijk als proefprocedure heeft aangemerkt en een beslissing terzake van restitutie van onverschuldigd betaalde keurlonen aan [eiser] heeft aangehouden onder verwijzing naar die procedure; de Rechtbank heeft met het oog daarop in haar eerste tussenvonnis een inlichtingencomparitie gelast waarop zij in haar tweede tussenvonnis overigens niet is teruggekomen. Het incidenteel betitelen van de procedure als "proefprocedure" in correspondentie met de Rechtbank achtte zij voorshands onvoldoende. De Rechtbank overwoog dat keurlonen terzake van keuringen ten behoeve van uitvoer naar derde landen niet als onverschuldigd betaald kunnen worden teruggevorderd, zodat [eiser] nog nader diende te specificeren welk deel van het door haar teruggevorderde bedrag betrekking had op export naar landen die geen lidstaten waren van de EEG; zij verwees de zaak daartoe naar de rol.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 11788 tot 14112.