Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.

Volgens vaste jurisprudentie van Uw Raad is een geldschuld opvorderbaar in de zin van art. 1 van deze wet zodra de bevoegdheid is ontstaan om onmiddellijk de naleving van de verbintenis te eisen. Dit tijdstip valt voor vorderingen uit onrechtmatige daad samen met het moment waarop de schade is ontstaan. Ten aanzien van een vordering uit onverschuldigde betaling als de onderhavige, te weten een vordering wegens betaling van een heffing waaraan de rechtsgrond reeds bij de betaling ontbrak omdat de heffing in strijd was met het EEG-Verdrag, geldt dat de vordering reeds bij de betaling opvorderbaar was omdat reeds op dat moment de bevoegdheid ontstond de betaling als onverschuldigd terug te vorderen. Komt de rechtsgrond met terugwerkende kracht aan een betaling te ontvallen, dan ontstaat de bevoegdheid tot terugvordering pas op het tijdstip van vernietiging of ontbinding zodat ook op dat tijdstip pas van opvorderbaarheid kan worden gesproken. Zie Parl. Gesch. Boek 3, p. 922 en Asser-Hartkamp I, 1996, nr. 673.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 20887 tot 21921.