Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.
9. Het Hof is - zoals hiervoor reeds bleek - ervan uitgegaan dat de vordering(en) uit onverschuldigde betaling inderdaad ontstond(en) op het moment van betaling aan de Staat en dat de vordering(en) ook op dat moment "opvorderbaar" was (waren) in de zin van art. 1 van de Wet van 31 oktober 1924, zodat de verjaring van de vordering uit onverschuldigde betaling bij de betaling aanving. Zoals gezegd, komt middelonderdeel 3 tegen dat oordeel op met de klacht dat de verjaringstermijn niet kan aanvangen voordat bij de schuldeiser sprake was van bekendheid met het bestaan van het (terug)vorderingsrecht, een toestand die in casu pas intrad - aldus het middel - toen Uw Raad arrest had gewezen in meergenoemd geding van de Staat tegen [naam] Hillegom B.V.; onder verwijzing naar Uw arrest van 28 oktober 1994, NJ 1995, 139, m.nt. MS, wordt voorts geklaagd dat van "opvorderbaarheid" in de zin van de wet pas sprake was nadat bedoeld arrest was gewezen omdat het terugvorderingsrecht pas bestond toen Uw Raad had geoordeeld over de rechtmatigheid van keurlonen in Nederland.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 21959 tot 23043.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e | shasum -a 256