Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.

Anders dan het middel betoogt, vertoont het onderhavige geval evenmin gelijkenis met het geval berecht door Uw Raad in zijn arrest van 28 oktober 1994, NJ 1995, 139, m.nt. MS. In dat arrest overwoog Uw Raad dat de in de rechtspraak ontwikkelde taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de administratieve rechter meebrengt dat de burgerlijke rechter een vordering tot schadevergoeding gebaseerd op onrechtmatigheid van een beschikking waartegen een administratieve rechtsgang openstaat, in beginsel slechts kan toewijzen indien en nadat die rechtsgang is gevolgd en daarbij is beslist dat de beschikking onrechtmatig is. Met het oog daarop oordeelde Uw Raad dat een redelijke uitleg van art. 1 van de Wet van 31 oktober 1924 meebrengt dat een dergelijke vordering pas als opvorderbaar in de zin van die bepaling dient te worden beschouwd nadat laatstbedoelde beslissing is gegeven. In het onderhavige geval is van een "dergelijke vordering" geen sprake. In casu doet zich immers niet het geval voor dat de burgerlijke rechter [eiser]'s vordering uit onverschuldigde betaling, gebaseerd op de stelling dat de opgelegde keuringsheffingen in strijd zijn met het EEG-Verdrag, pas kan toewijzen indien en nadat een andere rechtsgang is gevolgd en in die andere rechtsgang door een andere rechter is beslist dat de betaling onverschuldigd is geschied. De litigieuze heffingen zijn niet aan te merken als beschikkingen waartegen een administratieve rechtsgang openstaat, doch als rechtshandelingen naar burgerlijk recht; zie de door [eiser] bij conclusie na comparitie in eerste aanleg overgelegde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 24 december 1991. Aan het middel kan wel worden toegegeven dat aan het Hof van Justitie prejudiciële vragen van uitleg van gemeenschapsrecht zijn gesteld om uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of inderdaad zonder rechtsgrond was betaald. Het stellen van die prejudiciële vragen geschiedt echter niet in een andere rechtsgang in het kader van een taakverdeling tussen verschillende rechters als door Uw Raad in zijn arrest van 28 oktober 1994 bedoeld; die vragen worden gesteld in het kader van de rechtsgang voor de burgerlijke rechter, waarbij nog komt dat lagere rechters niet verplicht zijn tot het stellen van prejudiciële vragen. Daaraan ziet het middel voorbij met zijn stelling dat een geval als het onderhavige is te vergelijken met het in genoemd arrest berechte geval.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 25157 tot 27636.