Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.

Middelonderdeel 4 verwijt het Hof te zijn voorbijgegaan aan het door [eiser] gedane beroep op anticipatie op art. 3:309 BW, dat althans voor de korte verjaringstermijn van vijf jaar bekendheid met het bestaan van de vordering eist. Ook dit middelonderdeel gaat naar het mij voorkomt eraan voorbij dat het Hof heeft geoordeeld dat [eiser] reeds bij de betalingen bekend moet zijn geweest met haar terugvorderingsrecht. Dat daargelaten, is naar mijn oordeel voor anticipatie reeds geen plaats omdat de in art. 3:309 BW geregelde vijfjarige verjaring een onderdeel vormt van een fundamenteel gewijzigd stelsel van verjaringsregels in het huidig recht en omdat met name ook de eisen van de rechtszekerheid en de omstandigheid dat aan art. 3:309 een uitgestelde werking van een jaar is verleend zich tegen anticipatie verzetten. Ik verwijs in dit verband naar Uw arrest van 10 september 1993, NJ 1993, 736 en naar Van Buchem-Spapens, Anticipatie, Mon. NBW A-23 (1986), p. 41-55. Daarbij teken ik aan dat de vijfjarige verjaring van de Wet van 31 oktober 1924 althans wat strekking betreft veeleer op één lijn moet worden gesteld met de twintigjarige verjaring van art. 3:309 waarvoor niet de eis van "bekendheid" geldt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 29359 tot 30589.