Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Alinea 47 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4113.

Terecht tot uitgangspunt nemende dat de vordering uit onverschuldigde betaling ontstond op het moment van de betaling, is het Hof ervan uitgegaan dat [eiser], gezien haar protestbrieven naar zijn oordeel bekend met het bestaan van haar vordering, direct tot terugvordering had kunnen overgaan (al stond in rechte nog niet vast dat de keurlonen in strijd met het EEG-Verdrag werden geheven) en dat [eiser] in ieder geval de verjaring direct kon stuiten, zoals zij een aantal jaren ook daadwerkelijk deed. Die stuiting vond steeds plaats voor reeds verrichte betalingen. Omdat de verjaring na de stuiting steeds opnieuw aanving, diende [eiser] de verjaring tijdig opnieuw te stuiten. Dat is - ten onrechte - nagelaten. Kennelijk - althans dat ligt in [eiser]'s stellingen besloten - omdat ervan werd uitgegaan dat de Staat geen beroep op verjaring zou doen als in de procedure tegen [naam] Hillegom B.V. zou worden geoordeeld dat de keurlonen in strijd met het EEG-Verdrag waren geheven. Het Hof heeft geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de raadsman van de Staat de procedure tegen [naam] Hillegom B.V. waarbij [eiser] geen partij was, in die procedure tegenover de Rechtbank als proefprocedure had aangemerkt, niet meebracht dat de Staat afstand van verjaring had gedaan en evenmin dat de Staat naar eisen van redelijkheid en billijkheid geen beroep op de in de Wet van 31 oktober 1924 voorziene verjaring meer kon doen tegenover [eiser] die weliswaar "onder dwang en na protest" had betaald, doch die naliet tijdig nieuwe, als "declaraties" te beschouwen, protestbrieven te sturen. In dat oordeel ligt besloten dat de omstandigheid dat [eiser] is gestopt met het verzenden van protestbrieven en dat [eiser] geen vordering uit onverschuldigde betaling heeft ingesteld hoewel zij daartoe wel in de gelegenheid was, niet aan de Staat kan worden toegerekend omdat [eiser] niet erop had mogen vertrouwen dat de Staat zijn beroep op verjaring afhankelijk had gemaakt van de uitslag in de procedure tegen [naam] Hillegom B.V.; dit, omdat - zoals de Rechtbank overwoog - de Staat tegenover [eiser] die procedure niet uitdrukkelijk als proefprocedure heeft aangemerkt en evenmin tegenover [eiser] de beslissing terzake van restitutie van onverschuldigd betaalde keurlonen heeft aangehouden onder verwijzing naar die procedure (doch de Staat uitsluitend tegenover de Rechtbank die procedure als proefprocedure heeft aangemerkt). Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f2a6f41721a7caed50975a6fa118a7fa159f2e408e8fdd3847b45a7ae716cd5e, en de alinea staat in dat document op bytes 33185 tot 35717.