Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4114.
13. Art. 284 K., dat naast de algemene regeling van art. 6:150 BW zelfstandige betekenis heeft, bepaalt dat vorderingen die een verzekerde terzake van door hem geleden schade op derden heeft, anders dan uit verzekering, bij wijze van subrogatie overgaan op de verzekeraar voorzover deze die schade ver-goedt. Aan het middel kan worden toegegeven dat uit de tekst van art. 284 K. niet volgt dat van subrogatie alleen sprake kan zijn indien en voorzover de verzekeraar schade heeft vergoed waartoe hij krachtens de verzekeringsovereenkomst was verplicht. Vol-gens vaste juris-pruden-tie wordt die eis echter wel gesteld. Zie Uw arresten van 10 januari 1941, NJ 1941, 824, m.nt. EMM en van 24 januari 1964, NJ 1964, 465, m.nt. GJS. In de literatuur overheerst de opvatting dat alleen van subrogatie sprake kan zijn als de verzekeraar tot uitkering was verplicht. Zie Asser-Clausing-Wansink, 1998, nr. 319 met verdere verwijzingen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d91e29f281c2ab931031217a867c041a22a487f73f913872a15328f030bcb903. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d91e29f281c2ab931031217a867c041a22a487f73f913872a15328f030bcb903, en de alinea staat in dat document op bytes 24405 tot 25345.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d91e29f281c2ab931031217a867c041a22a487f73f913872a15328f030bcb903 | shasum -a 256