Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2000

Alinea 138 Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4278.

2.57 Ook deze klacht moet - evenals onderdeel II.1 - falen bij gebrek aan belang (zie het betoog onder 2.15). Overigens zie ik geen verband tussen de door het onderdeel bedoelde overweging van de rechtbank en het oordeel van het hof over de lay-out van de akte van 6 september 1988, in het kader waarvan het hof heeft overwogen dat aannemelijk is "dat [oprichtster] in goed vertrouwen zonder zich in de inhoud daarvan te verdiepen weleens stukken tekende die haar ter tekening werden voorgelegd door iemand die haar bekend was". En bovendien zie ik, anders dan het onderdeel, geen tegenstelling met het oordeel van de rechtbank, dat "(...) enkele getuigen tijdens het voorlopig getuigenverhoor (hebben) verklaard dat [oprichtster] weinig belangstelling voor financiële zaken had en dat zij daarop betrekking hebbende stukken ongezien placht te tekenen (...)". Dit laatste wordt niet anders doordat de rechtbank daarop deed volgen: "(...) daartegenover staat dat zij bij andere gelegenheden op financiële zaken betrekking hebbende stukken van zeer gedetailleerd commentaar voorzag". Deze passage heeft immers niet tot strekking de eerdere vaststelling te ontkrachten, dat [oprichtster] stukken van financiële aard ongezien placht te tekenen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aebf26ecbef6169c0dec2a8c532e9562a66c9571454c36f12fefbef4d5f128cd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aebf26ecbef6169c0dec2a8c532e9562a66c9571454c36f12fefbef4d5f128cd, en de alinea staat in dat document op bytes 60544 tot 61800.