Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000

Alinea 44 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4438.

2.4 Tegen deze achtergrond betoogt middel I, dat uiteenvalt in drie onderdelen, dat de rechtbank ten onrechte alleen heeft onderzocht of de huurvordering van [verhuurder] en de vordering uit de geldleenovereenkomst van [huurder] uit dezelfde rechtsverhouding voortvloeiden. Volgens onderdeel a heeft de rechtbank daarmee miskend dat [huurder] bij pleidooi mede heeft gesteld dat zijn tegenvordering al voor de overgang is ontstaan en opeisbaar is geworden. Volgens onderdeel b had de rechtbank op grond van art. 48 Rv overigens ook zonder een uitdrukkelijk beroep daarop moeten onderzoeken of één van de in art. 6:130 BW genoemde gronden voor verrekening na overgang van de vordering onder bijzondere titel op een derde, zich voordeed. Voor het geval de rechtbank mede heeft onderzocht of de vordering van [huurder] al voor de overgang van de huurverhouding was ontstaan en opeisbaar was geworden, is haar - in dat geval: afwijzend - oordeel volgens onderdeel c rechtens onjuist, althans onvoldoende gemotiveerd, nu niet blijkt waarop dit oordeel is gebaseerd.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ed59b2add27ab721053ed34c440ffe788152e19205ea9a1f92eaaece2d6a38a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ed59b2add27ab721053ed34c440ffe788152e19205ea9a1f92eaaece2d6a38a, en de alinea staat in dat document op bytes 15061 tot 16137.