Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4438.
Een vergelijking kan worden getrokken met art. 6:39 lid 1 BW, dat bepaalt dat een opschortende tijdsbepaling wordt vermoed te beletten dat de schuldeiser eerdere nakoming vordert. Betaalt de schuldenaar echter uit eigen beweging voordat de vordering opeisbaar is, dan geldt deze betaling niet als onverschuldigd. De schuldeiser is niet bevoegd die betaling af te wijzen, tenzij zich het uitzonderlijke geval voordoet dat de niet - opeisbaarheid (mede) in het belang van de schuldeiser is bedongen.5 Hetzelfde heeft te gelden in het onderhavige geval, nu nog niet verschenen huurtermijnen als toekomstige vorderingen moeten worden aangemerkt6. Deze zijn weliswaar geen nu al bestaande verbintenissen onder een tijdsbepaling, maar naar de strekking is art. 6:39 BW op zodanige verbintenissen overeen-komstig van toepassing, nu in beide gevallen in beginsel sprake is van afstand door de schuldenaar van een in zijn belang gestelde voorwaarde of termijn. Gesteld noch gebleken is voorts dat het belang van de oorspronkelijke schuldeiser, [gefailleerde], zich tegen vervroegde betaling van de toekomstige huurtermijnen verzet.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6ed59b2add27ab721053ed34c440ffe788152e19205ea9a1f92eaaece2d6a38a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6ed59b2add27ab721053ed34c440ffe788152e19205ea9a1f92eaaece2d6a38a, en de alinea staat in dat document op bytes 17631 tot 18766.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6ed59b2add27ab721053ed34c440ffe788152e19205ea9a1f92eaaece2d6a38a | shasum -a 256