Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2000

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 januari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4606.

Ik meen dat ook deze klachten tevergeefs worden voorgesteld, omdat de overwegingen van het hof in r.o. 4.8 niet onbegrijpelijk zijn. Te bedenken is dat het hier om stellingen gaat die slechts in de dagvaarding zijn geformuleerd en waarop [verkoper] daarna niet meer is teruggekomen. Wat voorts onderdeel 2 betreft: van de in de dagvaarding (nr. 28 onder b) vermelde brieven is overgelegd de brief van 30 maart 1994 (productie 3 bij akteverzoek van 14 juni 1995), maar daaruit blijkt geenszins dat [verkoper] het transport van het huis in Limburg kon laten afhangen van dat van zijn boerderij in Beesd, laat staan dat hij zulks gedaan zou hebben en dat [kopers] zulks wist. Wat de kwestie van onderdeel 3 betreft, heeft [verkoper] zich in de dagvaarding slechts beroepen op redelijkheid en billijkheid (nr. 28 onder g), terwijl hij nadien deze kwestie alleen in het kader van een beroep op eigen schuld van [kopers] naar voren heeft gebracht (conclusie van antwoord in reconventie onder 16).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dce4bfdf9f5cf2666d09b41be1e32183b075bb552ea4091b4b3ef3fa7f6d721c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dce4bfdf9f5cf2666d09b41be1e32183b075bb552ea4091b4b3ef3fa7f6d721c, en de alinea staat in dat document op bytes 10979 tot 11985.