Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000
Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4721.
6. Dit betoog faalt. Terecht wordt in cassatie niet bestreden dat de ontvankelijkheid van [verzoekster] in haar hoger beroep moet worden beoordeeld, zoals de Rechtbank deed, aan de hand van art. 429n lid 2 Rv nu het inleidend verzoekschrift is ingediend na 1 januari 1996, het tijdstip waarop de Abw (Wet van 12 april 1995, Stb. 199) in werking trad, en vóór de op 1 juli 1997 in werking getreden wijziging van de daarin opgenomen bepalingen inzake terugvordering (Wet van 25 april 1996, Stb. 248). Art. 88 lid 2 Abw, zoals dat luidde tussen 1 januari 1996 en 1 juli 1997, bepaalt immers dat op de vordering tot nakoming van een besluit tot terugvordering "het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is." Omdat de twaalfde titel van het eerste Boek van dit Wetboek niet voor verzoekschriftprocedures inzake de terugvordering van bijstand in werking is getreden en omdat de Abw zelf geen bepaling inzake de appeltermijn bevat, moet art. 429n lid 2 Rv op deze procedures van overeenkomstige toepassing worden geacht. (Aldus Uw Raad in zijn beschikkingen van 12 juni 1998, NJ 1998, 643 en van 20 februari 1998, NJ 1999, 561, m.nt. HJS.) In het bij Wet van 18 juni 1986 (Stb. 329) per 1 januari 1987 gewijzigde art. 429n lid 2 Rv wordt ter zake van de aanvang van de appeltermijn onderscheid gemaakt tussen de verzoeker en verschenen belanghebbenden enerzijds en andere belanghebbenden anderzijds. Voor de verzoeker en verschenen belanghebbenden bedraagt de appeltermijn twee maanden na dagtekening van de eindbeschikking, voor andere belanghebbenden twee maanden na betekening daarvan of twee maanden nadat de beschikking aan hen op andere wijze bekend is geworden. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat onder het begrip "verschenen" belanghebbenden in art. 429n lid 2 Rv niet alleen moeten worden begrepen degenen die in persoon of bij een vertegenwoordiger ter terechtzitting zijn verschenen, maar ook degenen die zelf of bij vertegenwoordiger een verweerschrift hebben ingediend. (Zie de bijlage bij de memorie van toelichting, TK, vergaderjaar 1984-1985, 19 129, nr. 4, p. 5). Door Uw Raad wordt het in art. 426 lid 1 Rv voorkomende begrip "in een der vorige instantiën verschenen belanghebbende" op dezelfde wijze omschreven. Zie Uw beschikking van 1 mei 1981, NJ 1981, 604, m.nt. BW waarin Uw Raad overwoog dat de belanghebbende verschenen is in de zin van art. 426 lid 1 Rv indien hij gebruik maakt van de hem geboden mogelijkheid tot verweer. Zie ook Uw beschikkingen van 26 november 1982, NJ 1983, 442, m.nt. BW, van 18 december 1987, NJ 1988, 372 en van 6 november 1998, NJ 1999, 117. [verzoekster] moet dan ook worden aangemerkt als een in eerste instantie verschenen belanghebbende nu uit de in appel in zoverre niet bestreden beschikking van de Kantonrechter blijkt dat zij in eerste aanleg een verweerschrift heeft ingediend; dat zij, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet bij de mondelinge behandeling is verschenen, doet daaraan niet af.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2673135f418cba15bf83602fa5a3296c5a9fc68145b1a3cf2b01b542ac28cbe0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2673135f418cba15bf83602fa5a3296c5a9fc68145b1a3cf2b01b542ac28cbe0, en de alinea staat in dat document op bytes 7861 tot 10862.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2673135f418cba15bf83602fa5a3296c5a9fc68145b1a3cf2b01b542ac28cbe0 | shasum -a 256