Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000

Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4721.

8. Voorzover dit middelonderdeel aansluiting beoogt te zoeken bij art. 6:11 Awb waarin is bepaald dat niet-ontvankelijkverklaring ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift achterwege dient te blijven indien redelijkerwijze niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest, faalt het reeds omdat [verzoekster] in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het oordeel zouden kunnen wettigen dat zij bij de te late indiening van het beroepschrift niet in verzuim is geweest; in cassatie kan niet voor het eerst op dergelijke omstandigheden een beroep worden gedaan. Daarbij komt dat het beroepschrift is ingediend door de advocaat die de vrouw ook in eerste aanleg heeft bijgestaan. Dit brengt mee dat - behoudens in geval van bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken - de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar is. In dezelfde zin Uw Raad in zijn beschikking van 4 oktober 1996, NJ 1997, 63. Bovendien kan art. 6:11 Awb alleen bewerkstelligen dat de belanghebbende na het ongebruikt laten verstrijken van de oorspronkelijke termijn alsnog in de gelegenheid wordt gesteld in beroep te gaan zo spoedig mogelijk als redelijkerwijs kan worden verlangd, waarbij de belanghebbende in beginsel een termijn van twee tot drie weken wordt gegund, zij het dat hem onder omstandigheden redelijkerwijs meer tijd kan worden toegekend; zie in dit verband de conclusie van mijn ambtgenoot Langemeijer voor Uw beschikking van 12 februari 1999, NJ 1999, 343 onder 2.12 en de noten 15 en 16. In de onderhavige zaak heeft belanghebbende [verzoekster] ruim een week na de aanvang van de appeltermijn de beschikking ontvangen, zodat haar daarna nog bijna zeven weken resteerden voor de indiening van het beroepschrift. Voor verlenging van de beroepstermijn is reeds om die reden geen plaats nu niet is gesteld of gebleken van bijzondere omstandigheden. Zie voor analoge toepassing van art. 6:11 Abw in procedures tot terugvordering van bijstand Uw beschikkingen van 27 mei 1994, NJ 1994, 609, m.nt. MS, van 24 maart 1995, NJ 1995, 347, van 27 oktober 1995, NJ 1996, 121, van 4 oktober 1996, NJ 1997, 63 en van 18 oktober 1996, NJ 1998, 3 m.nt. HJS onder NJ 1998, 4; zie voorts Uw beschikking van 28 mei 1999, NJ 1999, 613 en met name de conclusie van mijn ambtgenoot Spier.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2673135f418cba15bf83602fa5a3296c5a9fc68145b1a3cf2b01b542ac28cbe0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2673135f418cba15bf83602fa5a3296c5a9fc68145b1a3cf2b01b542ac28cbe0, en de alinea staat in dat document op bytes 11554 tot 13906.