Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4745.

3.7. Het voorgaande brengt mee dat in cassatie ervan moet worden uitgegaan dat de vordering van belanghebbende op B BV uit een gewone geldlening voortvloeit en geen informeel kapitaal voorstelt. In rechtsoverweging 5.2.4. heeft het Hof geoordeeld - overeenkomstig het standpunt van de Inspecteur - dat belanghebbende de vordering jegens B BV heeft prijsgegeven. Bovendien heeft het Hof aangenomen dat belanghebbende dit laatste heeft gedaan in haar hoedanigheid van aandeelhouder. In de zienswijze van het Hof heeft het prijsgeven van de vordering door belanghebbende een informele kapitaalstorting in B BV teweeggebracht. De consequentie hiervan is dat het prijsgeven van de vordering bij B BV geen belastbare winst heeft doen ontstaan, maar een onbelaste vermogensvermeerdering.3

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e955cb01b7d9c5086f7ba4563718ff3cbf8abbd73288db9a6504b23c872b7e92. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e955cb01b7d9c5086f7ba4563718ff3cbf8abbd73288db9a6504b23c872b7e92, en de alinea staat in dat document op bytes 18416 tot 19211.