Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4749.

4.2. Allereerst is mij niet duidelijk geworden welke gedachtegang het Hof in zijn rechtsoverwegingen precies heeft gevolgd. De rechtsoverwegingen 6.1. t/m 6.3 op zich genomen zijn alleszins inzichtelijk; daarin heeft het Hof zijn opvatting neergelegd dat de in de brieven van 30 juli 1993 belichaamde rechtshandelingen moeten worden aangemerkt als het prijsgeven van vorderingen als bedoeld in art. 13b, lid 4, Wet Vpb 1969. (Op de vraag of deze opvatting juist is, kom ik hierna in 5.5 en 5.6. terug.) De daarop volgende rechtsoverwegingen - 6.4. en 6.5. - roepen echter vragen op.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/dd36f798222af4fe98349c6e6d6cf36b838fbddbf1171adfab866eaa82433837. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt dd36f798222af4fe98349c6e6d6cf36b838fbddbf1171adfab866eaa82433837, en de alinea staat in dat document op bytes 16456 tot 17052.