Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4779.

7) Mogelijk is ook dat het hof met de geciteerde woorden eenvoudig bedoelt dat het in de door [eiser] gestelde discrepantie in het onderhavige geval geen aanleiding ziet tot matiging. Naar mijn mening klaagt het middel terecht dat het hof dat oordeel nader had moeten motiveren. Ik zeg dit niet omdat ik van mening zou zijn dat hier op het eerste gezicht matiging zozeer voor de hand ligt dat het hof een andersluidend oordeel had moeten uitleggen, maar omdat ik het onderhavige geval zo onduidelijk vind: de overeenkomst is nogal eigenaardig van karakter en er is nog wel het een en ander gebleken omtrent de omstandigheden waaronder zij is gesloten, maar weinig of niets omtrent de omstandigheden waaronder zij is uitgevoerd. In zo'n geval wordt de motiveringsplicht van de feitenrechter m.i. extra geactiveerd, zeker als de boete op 'elke overtreding' is gesteld (vgl. ook HR 13 febr. 1998, NJ 1998, 725 m.nt. JH) en het boetebedrag zeer hoog is ten opzichte van het financiële belang van veel denkbare overtredingen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/033f3714a30b0ce6606d98a2b84eb931f34e609ed1d75e548288805e9819704e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 033f3714a30b0ce6606d98a2b84eb931f34e609ed1d75e548288805e9819704e, en de alinea staat in dat document op bytes 11283 tot 12317.