Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000

Alinea 19 Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4781.

‘Met betrekking tot grief II die de verste strekking heeft en daarom het eerst zal worden behandeld. 2. De grief richt zich blijkens de toelichting tegen het door [de verkoper] aanwezig geachte feit dat de rechtbank in haar vonnis van 20 december 1995 met betrekking tot de vraag wanneer [de verkoper] een beroep op de exoneratieclausule toekomt een ander criterium heeft aangelegd dan in haar vonnis van 9 oktober 1996. Aldus stelt [de verkoper] het beginsel van de bindende eindbeslissing aan de orde. 3. Deze grief berust op een onjuiste lezing van het tweede tussenvonnis van 9 oktober 1996. Immers het criterium dat de rechtbank in laatst genoemd vonnis hanteert: dat [de verkoper] als verkoper een mededelingsplicht ten aanzien van de koper had “als hij geweten moest kunnen hebben”, heeft naar het oordeel van het hof betrekking op de vraag of de verkoper heeft voldaan aan hetgeen redelijkerwijs van hem in het kader van het bepaalde in art. 7:17 BW kan worden verlangd. In zoverre is van het terugkomen op een bindende eindbeslissing, zoals door [de verkoper] is aangevoerd, dan ook geen sprake. 4. Op hetgeen de rechtbank overigens heeft overwogen met betrekking tot de door haar, als blijkend uit de tussenvonnissen, aanwezig geachte exoneratiebepaling alsmede het criterium dat de rechtbank heeft geformuleerd voor het terzijde stellen van (het beroep door [de verkoper] op) de aanwezig geachte exoneratiebepaling, zal het hof thans niet verder ingaan nu alleen [de verkoper] van de tussenvonnissen heeft geappelleerd, terwijl het [de koper] vrijstaat om (ook) harerzijds - naar aanleiding van het eindvonnis - desgewenst nog grieven te richten tegen de tussenvonnissen. (..) Met betrekking tot grief I: 6. De grief strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het in beginsel op de weg van [de verkoper] heeft gelegen om aan [de koper] mededeling te doen van het feit dat de aanbouw niet was onderheid. 7. De conformiteitseis van art. 7:17 BW brengt mee dat sprake is van een tekortkoming indien er materiële afwijkingen bestaan tussen hetgeen [de koper] op grond van de overeenkomst mocht verwachten en de afgeleverde zaak. Gelet op de omstandigheden zoals deze uit de stukken blijken, waaronder de ouderdom van het huis, mag in beginsel worden verwacht dat de aan het huis aangebrachte aanbouw niet verzakt. Is het gekochte in zoverre wél aan verzakking onderhevig, dan is daarmee in beginsel sprake van een kwalitatieve discrepantie tussen zaak en overeenkomst, ongeacht de vraag of [de verkoper] nu wist van het ontbreken van een toereikende fundering en daarover moedwillig zweeg, danwel of hij niet op de hoogte was van de gebrekkigheid van de fundering en daarom aan [de koper] niets daarover mededeelde. Op hetgeen [de koper] op grond van de overeenkomst mocht verwachten, hebben door [de verkoper] gedane mededelingen uiteraard wél invloed, met name indien die mededelingen betrekking hebben op de fundering en hetgeen [de koper] omtrent de deugedelijkheid daarvan redelijkerwijs mocht afleiden. In het licht van het vorenoverwogene is de in de grief bestreden overweging van de rechtbank dat het in beginsel op de weg van [de verkoper] heeft gelegen om mede te delen dat de aanbouw niet was onderheid, juist. (..) Met betrekking tot grief III: 9. De grief richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat [de verkoper] een mededelingsplicht had jegens [de koper] indien hij geweten moest kunnen hebben dat de aanbouw kon verzakken omdat deze niet onderheid was, in welke omstandigheden aan [de verkoper] geen beroep op de door hem genoemde exoneratieclausule toekwam. 10 Het zou in strijd met de redelijkheid en billijkheid zijn indien [de verkoper] zich, in de omstandigheden van het geval, op de exoneratie-clausule kan beroepen indien hij wist of geweten moest hebben dat de aanbouw kon verzakken omdat deze niet onderheid was. (..) Met betrekking tot grief IV: 12. [De verkoper] beoogt met zijn grief aan te voeren dat hem niets te verwijten valt. Er is immers overleg geweest tussen de aannemer en de gemeente over de wijze van fundering. Voorts kan - aldus zijn betoog - van hem (..) niet worden verwacht dat hij de aannemer controleert of deze de instructies van de gemeente heeft opgevolgd en niet in strijd met enig voorschrift een ondeugdelijke fundering heeft aangebracht. 13. Het betoog van [de verkoper] faalt. Voorzover het door hem aanwezig geachte “impliciet” ernstige verwijt redelijkerwijs al in het beroepen vonnis kan worden gelezen, verliest hij immers uit het oog dat een door de aannemer, de gevolmachtigde binnen de grenzen van zijn volmacht verrichte rechtshandeling - i.c. overleg met de gemeente - hem, als volmachtgever, in haar gevolgen treft. (..). (..) Met betrekking tot grief V 15 De grief strekt ten betoge dat de rechtbank geen betekenis heeft toegekend aan het feit dat tussen partijen is overeengekomen dat alle aanspraken op de aannemer op [de koper] overgaan. 16. De overdracht aan [de koper] van aanspraken die [de verkoper] eventueel geldend zou kunnen maken op de aannemer, ontheft [de verkoper] niet van zijn (mogelijke) aansprakelijkheid in verband met de hem verweten tekortkoming bij de aflevering, daar de onroerende zaak niet die eigenschappen bezat die [de koper] als koper mocht verwachten (7:17 BW).’

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fa0ef347155faf59fa604842b75fb22c3cf5891715f2cb7bdce25bd23b52a8d5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fa0ef347155faf59fa604842b75fb22c3cf5891715f2cb7bdce25bd23b52a8d5, en de alinea staat in dat document op bytes 9237 tot 14578.