Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2000

Alinea 76 Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 februari 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA4947.

Ik meen voorts dat in dit verband een (bij de bespreking van subonderdeel 3.1 nader uit te werken) vergelijking kan worden getrokken tussen enerzijds de besluitvorming binnen een scheidsrechterlijk college en anderzijds binnen de organen van een rechtspersoon. Art. 2:15 lid 3 aanhef en onder (a) BW bepaalt dat een derde bevoegd is de vernietiging te vorderen van een door een zodanig orgaan genomen besluit, mits hij daarbij een redelijk belang heeft. Ik zie deze laatste voorwaarde als een specifieke uitwerking van de algemene norm van art. 3:303 BW. Art 2:15 BW wordt in de literatuur over het algemeen aldus opgevat dat het slechts de bevoegdheid geeft om vernietiging te vorderen aan diegenen, wier juridische positie door dat besluit wordt beïnvloed.18 Deze uitleg strookt met mijn boven verdedigde standpunt over de vernietigbaarheid van arbitrale vonnissen en zet dit daarom mede kracht bij.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ca4c9032d57cccf481d461f412ac8d4515f55336e14674561e5e46601caf3fc7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ca4c9032d57cccf481d461f412ac8d4515f55336e14674561e5e46601caf3fc7, en de alinea staat in dat document op bytes 29439 tot 30355.