Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000
Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5119.
Het middel berust op het juiste uitgangspunt dat de beslissing tot vervolging in een individuele strafzaak is opgedragen aan de officier van justitie. Voorts meen ik, met de steller van het middel, dat het zaak is er op toe te blijven zien dat de officier van justitie zijn bevoegdheden niet geheel uit handen laat nemen. Een verdachte heeft er recht op dat de officier van justitie, als toetsende autoriteit ten opzichte van (overige) opsporingsambtenaren, ingrijpt als een vervolging buiten de wettelijke grenzen dreigt te treden (genoegzaamheid en rechtmatige verkrijging van het bewijs, interpretatie van strafbaarstellingen en hun bereik) en ook moet niet uit het oog worden verloren dat ons strafprocesrecht het opportuniteitsbeginsel als belangrijk uitgangspunt kent. Een verdachte heeft er evenzeer recht op dat wordt bezien of van vervolging niet afgezien kan worden, of dat een andere vorm van afdoening, zoals een sepot onder voorwaarden of een transactie, niet de voorkeur zou verdienen boven dagvaarden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 6905 tot 7934.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f | shasum -a 256