Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000

Alinea 34 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5119.

14. Naar ik meen heeft het hof daarom terecht en op goede gronden geoordeeld dat de inleidende dagvaarding van de bevoegde instantie is uitgegaan. Een tegenstrijdigheid in verband met de verwijzing naar de vervolgingsrichtlijn bespeur ik in ‘s hofs overwegingen, anders dan de steller van het middel, niet. Daarmee heeft het hof niet onbegrijpelijk tot uitdrukking gebracht dat die richtlijn een dagvaarding ter zitting voorschrijft bij een overtreding van de Opiumwet als in dit geval door de politie gerelateerd, en dat de politie er vanuit kon gaan dat de officier van justitie ook in deze zaak dit, door het openbaar ministerie vastgestelde, standpunt zou volgen. De toestemming van de officier van justitie om de dagvaarding inderdaad uit te reiken kan daarin besloten worden geacht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 17585 tot 18388.