Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000
Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5119.
16. De verwijzing in de cassatieschriftuur naar het per 1 juni jongstleden in werking getreden art. 126 RO, en naar hetgeen met betrekking tot die bepaling is opgemerkt in de Memorie van Toelichting heeft mij ook nog aan het denken gezet. In de toelichting op het middel wordt gesteld dat anticiperende toepassing van die bepaling (de wijze van uitbrengen van) de dagvaarding in deze zaak niet zou kunnen redden. Men kan de zaak evenwel ook omdraaien, en zich afvragen of uit deze, nadien in werking getreden, bepaling niet moet worden afgeleid dat de wetgever inmiddels tot het inzicht is gekomen dat mandatering van de bevoegdheid tot het uitbrengen van een dagvaarding steeds ontoelaatbaar is, tenzij voldaan is aan de eisen die art. 126 RO thans stelt. Bij nader inzien meen ik dat deze conclusie niet (zonder meer) getrokken kan worden. De volledige passage van de Memorie van Toelichting waaruit de steller van het middel citeert luidt namelijk:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f, en de alinea staat in dat document op bytes 19373 tot 20338.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/cd76a8833059ef17885dc6a943a68e610f4e130422e821ecdeee0f1592754f8f | shasum -a 256