Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2000

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 maart 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5259.

2.10 Tot slot voert UAP aan (sub 20/21) dat haar ondertekening op 9 januari 1992 van de basispolis niet als bekrachtiging van de verzekeringsovereenkomst kan worden opgevat. UAP, zo begrijp ik, zou geen enkele handeling hebben verricht ter uitvoering van de overeenkomst: zij heeft geen schade uitgekeerd en geen premie ontvangen; in Nederland noch in België is assurantiebelasting betaald en in België zijn evenmin de zogenaamde para-fiscale lasten voldaan; de gestelde betalingen door CW Lease aan Belgibo zijn slechts voor een klein deel doorbetaald aan ZAB en grotendeels aan ZAB N.V. De door ZAB gevraagde boekingen in rekening courant zijn door UAP geweigerd. Mr Stendahl zegt (sub 3) in hoofdstuk VIII nog aandacht te zullen besteden aan de hier relevante verzekeringspraktijk; dat hoofdstuk trof ik in zijn pleitaantekeningen, die blijkens het slot kennelijk compleet zijn, evenwel niet aan. Onder het hoofdje verzwijging herhaalt UAP haar be[getuige 8]ing over het slechte posterieure schadeverloop (sub 26). Blijkbaar zou dat een verzwijging - en zo is wellicht bedoeld - een vertrouwensgebrek opleveren.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d50e4eda79a1db246161571da955ae8b7be4f0d012743b43f0ec491e1d94aa0f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d50e4eda79a1db246161571da955ae8b7be4f0d012743b43f0ec491e1d94aa0f, en de alinea staat in dat document op bytes 12582 tot 13712.