Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 april 2000
Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 7 april 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5404.
Art. 213 lid 1 bepaalt dat indien een partij als getuige is gehoord, haar verklaring "omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs te haren voordele (kan) opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs." Uit het hierboven omtrent het begrip 'tegenbewijs' opgemerkte zou ik willen afleiden dat daarbij geen sprake is van feiten die - in de zin van art. 213 - 'te bewijzen zijn' door de partij die tegenbewijs moet leveren; d.w.z. geen sprake van feiten waarvan de rechtsgevolgen door de partij op wie bewijslast (en bewijsrisico) rust, worden ingeroepen.2 Als ik goed zie is dit in overeenstemming met de opvatting van de literatuur, die steun vindt in de parlementaire geschiedenis; zie M. De Tombe-Grootenhuis (1993), p. 109; Pitlo/Hidma en Rutgers (1995), p. 123; G.J. Visser, TCR 1997, p. 76 sub 4 (die expliciet betoogt dat in de ‘voorshands-behoudens-tegenbewijsconstructie’, waarin A de bewijslast heeft en B tegenbewijs mag leveren, toch B’s verklaring volle bewijskracht heeft en die van A in contra-enquête beperkte bewijskracht); Losbladige Burgerlijke Rechtsvordering, art. 213 (Gerretsen), aant. 2; Parl. Gesch. Nieuw Bewijsrecht, p. 296 e.v.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7a2b9475695c738e9099eb137fb30e83eed5a04b7a12bbf8fa28f44aae540395. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7a2b9475695c738e9099eb137fb30e83eed5a04b7a12bbf8fa28f44aae540395, en de alinea staat in dat document op bytes 20682 tot 21889.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7a2b9475695c738e9099eb137fb30e83eed5a04b7a12bbf8fa28f44aae540395 | shasum -a 256