Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519.

2.5 Ad (b). Het is echter de vraag of de praktijk het met deze eis wel zo nauw neemt en of dit de Hoge Raad niet tot heroverweging noopt. De trend is toch steeds meer om in het kort geding mede een vlotte en informele manier te zien ter incasso van in redelijkheid niet te betwisten geldvorderingen. Deze ontwikkeling heeft als volgt gestalte gekregen. Wederom onder impuls van de Amsterdamse rechtbank is, tegen de achtergrond van voormelde rechtspraak van de Hoge Raad, het incasso- kort geding opgebloeid; aanvankelijk slechts ten behoeve van "institutionele schuldeisers" en terzake van door hen geleverde goederen en verrichte diensten.9 Maar al na korte tijd mochten ook particuliere schuldeisers hun geldvorderingen in kort geding aanhangig maken. Complement daarvan was dat de voorwaarde dat het moet gaan om geleverde goederen en verrichte diensten, vervaagde en ten slotte verviel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd27e64ce2a3e5931e98aa917f46ae2c4f3f46e8ccf666efa6654b9eef28a0d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd27e64ce2a3e5931e98aa917f46ae2c4f3f46e8ccf666efa6654b9eef28a0d0, en de alinea staat in dat document op bytes 12924 tot 13828.