Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000

Alinea 38 Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5519.

2.7 Ik merk nog op dat als gevolg van deze ontwikkeling in de praktijk naar mijn indruk, althans bij de grotere rechtbanken, het spoedeisend belang tegenwoordig nauwelijks meer een zelfstandige toetsingsfactor is. Als de vordering waarvan eiser voldoening verlangt, voldoende aannemelijk is, vormt het spoedeisend belang geen belemmering voor het treffen van een voorziening omdat het welhaast per definitie spoedeisend wordt geacht dat een schuldeiser een titel krijgt voor een voldoende vaststaande vordering. Is deze vordering echter twijfelachtig, dan wijst de kortgedingrechter haar nu eens op die grond van de hand en verklaart eiser dan weer niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een spoedeisend belang. Veel lijn valt hierin niet te ontdekken. De keuze wordt bepaald door toevallige omstandigheden als de wijze waarop is geprocedeerd, de plaatselijke besliscultuur en persoonlijke voorkeuren..

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/cd27e64ce2a3e5931e98aa917f46ae2c4f3f46e8ccf666efa6654b9eef28a0d0. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt cd27e64ce2a3e5931e98aa917f46ae2c4f3f46e8ccf666efa6654b9eef28a0d0, en de alinea staat in dat document op bytes 14309 tot 15228.