Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Alinea 154 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5590.

4.49 Het onderdeel ziet er aan voorbij dat het Hof in rov. 12.9 klaarblijkelijk bij zijn eerder uitgesproken vermoeden (waarvoor de in rov. 12.6 en rov. 12.8 genoemde feitelijkheden bouwstenen bevatten) blijft. Daarom mist de klacht belang. In rov. 8.7 gaat het trouwens om een obiter dictum, hetgeen blijkt uit het "nog daargelaten dat". Hetgeen daarna komt kan - indien het niet met vrucht wordt bestreden - 's Hofs oordeel dragen. Daar komt nog bij dat het in het algemeen aan de rechter is voorbehouden om zijn eigen vonnissen te interpreteren12, al was een andere interpretatie zeker denkbaar geweest.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e61a05509d181005c7011882ca2f9d6095a9db4917f63cafea3cd32bb18bd1c5. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e61a05509d181005c7011882ca2f9d6095a9db4917f63cafea3cd32bb18bd1c5, en de alinea staat in dat document op bytes 62530 tot 63149.