Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Alinea 33 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5593.

2.4. Het hof heeft zich in rov. 4.1 van het thans bestreden vonnis de vraag gesteld of de aanhouding van eiser en de daarop volgende vrijheidsbeneming, achteraf bezien, ongefundeerd waren en deswege als onrechtmatig moeten worden gekwalificeerd. De beoordeling van die vraag dient volgens het hof te worden afgeleid uit de resultaten van het strafvorderlijk onderzoek. Het hof is in rov. 4.2 tot het oordeel gekomen dat uit de stukken van het strafvorderlijk onderzoek - in het bijzonder uit de beschikking tot buitenvervolgingstelling van 30 maart 1995 - “het ervoor [moet] worden gehouden dat de tot de gevangenneming leidende verdenking van appellant, naar achteraf is gebleken, ten onrechte heeft bestaan”. Tegen dit oordeel komt het Land op met een rechtsklacht en een motiveringsklacht. De rechtsklacht houdt in dat het hof niet het juiste criterium heeft toegepast: “ervoor moet worden gehouden” is niet hetzelfde als: “blijkt dat de verdenking, die ten tijde van het toepassen van die dwangmiddelen deze kan rechtvaardigen, ten onrechte heeft bestaan”. De motiveringsklacht houdt in dat uit de beschikking van 30 maart 1995 niet kán worden afgeleid dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan toen het dwangmiddel werd toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f0eb7d3b43dc65a51521fdf5518a000a5b3ee5d5996e3dd402b4db15fad8faa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f0eb7d3b43dc65a51521fdf5518a000a5b3ee5d5996e3dd402b4db15fad8faa, en de alinea staat in dat document op bytes 18235 tot 19500.