Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5593.

3.9. Wat eiser kennelijk bedoelt, is dat de detentie hem, als notaris, zwaarder heeft getroffen dan de doorsnee-preventief gedetineerde. Ook degene die deze stelling onderschrijft, ziet zich geplaatst voor de moeilijkheid dat de weging van deze factor bij de uiteindelijke vaststelling van de schadevergoeding bij uitsluiting de taak is van de rechter die over de feiten oordeelt en niet de taak van de cassatierechter. In dit geval heeft het hof bovendien niet volstaan met het standaardtarief van NAF 100,- per dag, maar onderzocht of er aanleiding was, een hoger bedrag dan dit standaardtarief toe te kennen. Dat is gebeurd in de vorm van een extra bedrag van NAF 5.000,-. Of laatstgenoemd bedrag toereikend is als compensatie voor het door eiser ondervonden leed kan in cassatie niet worden getoetst. In dit verband verdient aandacht dat het hof in rov. 4.12 vaststelt dat eiser B voor wat betreft de immateriële schade, waarom het hier gaat - geen bezwaar had tegen toekenning van de ook voor anderen gangbare vergoeding. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden en verklaart waarom het hof zijn oordeel op dit punt niet uitgebreider heeft gemotiveerd. Middel IV faalt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9f0eb7d3b43dc65a51521fdf5518a000a5b3ee5d5996e3dd402b4db15fad8faa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9f0eb7d3b43dc65a51521fdf5518a000a5b3ee5d5996e3dd402b4db15fad8faa, en de alinea staat in dat document op bytes 34209 tot 35407.