Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000
Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5595.
2.5 De rechtbank heeft derhalve geoordeeld dat de vordering zich niet leende voor een procedure in vrijwaring, omdat de hoofdzaak tot de absolute competentie van een andere rechter behoorde dan de vrijwaring. Dit standpunt wordt in de oudere literatuur verdedigd3, waarbij volgens Stein4 de Hoge Raad zich heeft aangesloten. Ik deel deze opvatting van Stein niet. M.i. is in het arrest van 4 december 1981 niet meer beslist dan dat het bepaalde in art. 74 Rv. de regels van de absolute competentie niet doorbreekt. Het oordeel van de rechtbank is derhalve onjuist. Ook in dit geval had verwijzing op de voet van art. 157a lid 1 Rv. dienen te volgen5, hetgeen Uw Raad recent in een vergelijkbaar geval tot uitgangspunt heeft genomen6.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/da047b87953f03c407a337df6ba4775cdd0c2f56eb22bce30a0113d62147ed8e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt da047b87953f03c407a337df6ba4775cdd0c2f56eb22bce30a0113d62147ed8e, en de alinea staat in dat document op bytes 10295 tot 11046.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/da047b87953f03c407a337df6ba4775cdd0c2f56eb22bce30a0113d62147ed8e | shasum -a 256