Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Alinea 166 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5634.
10.1 Het vierde onderdeel borduurt voort op het eerste. Onderdeel 4.1 bevat wederom een inleiding. Onderdeel 4.2 strekt ten betoge dat de Rechtbank verzuimd heeft in te gaan op de essentiële stelling van de erven dat de vordering mede is gebaseerd op art. 6:108 BW en dat deze vordering in ieder geval nog niet is verjaard. In dat verband wordt erop gewezen dat deze vordering eerst is ontstaan door het overlijden van [de overledene]. Voor het geval dat de Rechtbank in haar overwegingen omtrent het verjaard zijn van de vordering van de erven tevens het oog had op art. 6:108 BW, voert onderdeel 4.3 aan dat de Rechtbank is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Het gaat hier om een zelfstandige aanspraak van de erven die eerst ontstond door het overlijden van [de overledene]. Op dat moment begon voor de erven de verjaringstermijn te lopen, aldus het onderdeel.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6fbca4232102cc469fb59f639714270d99e3de2f7cfbc50a077172f85608a2fd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6fbca4232102cc469fb59f639714270d99e3de2f7cfbc50a077172f85608a2fd, en de alinea staat in dat document op bytes 57555 tot 58442.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/6fbca4232102cc469fb59f639714270d99e3de2f7cfbc50a077172f85608a2fd | shasum -a 256