Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000

Alinea 99 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5635.

8.1 Onderdeel 4 ontvouwt een hoogst originele visie op het overgangsrecht. Aangedrongen wordt dat ingevolge art. 69 Overgangswet de verjaringstermijn van art. 2004 (oud) BW geldt. Uit laatstgenoemde bepaling vloeit voort dat de verjaringstermijn van een vordering tot vergoeding van schade gaat lopen vanaf het moment dat de bevoegdheid om de onmiddellijke naleving van de verbintenis te eisen is ontstaan. Dit brengt met zich mee dat de verjaringstermijn onder het oude recht niet vóór 8 juni 1993 zou zijn aanvangen, aldus de erven. Het per 1 januari 1993 van toepassing worden van de nieuwe verjaringsregeling zou impliceren dat [de overledene] zijn onder het oude recht bestaande bevoegdheid om vergoeding van zijn schade te vorderen zou hebben verloren voordat deze was ontstaan. Dit nu wordt, in de visie van de erven, door art. 69 Overgangswet verboden. De Rechtbank wordt verweten deze bepaling niet ambtshalve te hebben toegepast.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8a855b8e055ac37f9a221f7f79c1e65d47f23056de4eb60ad960cf01811a14c7. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8a855b8e055ac37f9a221f7f79c1e65d47f23056de4eb60ad960cf01811a14c7, en de alinea staat in dat document op bytes 36911 tot 37866.