Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5673.
2.4 Centraal in deze zaak staat de vraag of is voldaan aan de in art. 1888 lid 2 BW(oud) gestelde eis dat de dading schriftelijk wordt aangegaan. Zoals hierna onder 2.18 nog zal worden besproken, is het ontbreken van een geschrift een relatieve nietigheidsgrond. Nu het huidige recht deze nietigheidsgrond niet kent, brengt de inwerkingtreding van Titel 15 een verschuiving in de geldigheid en de nietigheid mee, zodat ook dient te worden gelet op het bepaalde in art. 81 Ow.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d, en de alinea staat in dat document op bytes 15242 tot 15731.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d | shasum -a 256