Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000

Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5673.

2.5 Ik meen dat de in art. 81 Ow gegeven bijzondere regel hier niet van toepassing is, nu [eiseres] geacht kan worden vóór 1 september 1993 een beroep te hebben gedaan op het ontbreken van een schriftelijk stuk. Dat de rechtbank zulks heeft gelezen in haar tijdens de voortzetting van de comparitie op 10 juni 1993 ingenomen standpunt dat zij niet aan de gesloten overeenkomst was gebonden, blijkt uit het van de voortzetting van de comparitie opgemaakte proces-verbaal en rechtsoverweging 3.5 van het eindvonnis. Deze aan de rechtbank voorbehouden uitleg van haar stellingen is - mede in het licht van de briefwisseling tussen mr De Kok en de rechter-commissaris12 en de akte in conventie van de zijde van [eiseres] - geenszins onbegrijpelijk13. Ook [verweerder] is in zijn conclusie van dupliek van deze stellingname van zijn wederpartij uitgegaan.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d, en de alinea staat in dat document op bytes 15751 tot 16619.