Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 april 2000, ECLI:NL:PHR:2000:AA5673.
2.8 Er is daarentegen geen vormvereiste voor het treffen van een minnelijke schikking. Dit volgt reeds uit het tweede lid van art. 19 Rv., dat bepaalt dat, indien een minnelijke regeling tot stand is gekomen, partijen kunnen verlangen dat een proces-verbaal wordt opgemaakt en door partijen wordt getekend. Daarbij dient te worden bedacht dat een schikking naar haar aard een consensuele overeenkomst is16. Vastlegging in een proces-verbaal strekt dan ook in de eerste plaats ertoe het bezwaar weg te nemen dat partijen eventueel later genoodzaakt worden het bestaan van die overeenkomst te bewijzen, terwijl ondertekening van dit proces-verbaal door partijen in de eerste plaats ertoe strekt de inhoud daarvan rechtens vast te doen staan en dit voor rechtstreekse tenuitvoerlegging vatbaar te maken17. Met name dit laatste aspect is in de praktijk van belang. Partijen kunnen niet beletten dat de rechter-commissaris bij proces-verbaal vaststelt dat de comparitie is gehouden en dat partijen al dan niet tot een regeling zijn gekomen18.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d, en de alinea staat in dat document op bytes 17738 tot 18790.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8aacee804b76789813c0aab92fb3427a2c96a1c5e0ae28edc3820f6dc279e83d | shasum -a 256